Betekenis van:
luiden

luiden
Werkwoord
  • het weerklinken van het geluid van een klok
"De kerkklokken luidden toen er een dijkdoorbraak dreigde."
luiden
Werkwoord
  • doen klinken, gewoonlijk van een bel
"Deze klok wordt zelden geluid."
luiden
Werkwoord
  • als inhoud hebben
"Het bericht luidde eenvoudigweg: "hij is dood"; details ontbraken."
luiden
Zelfstandig naamwoord
  • aantal min of meer bijeenhorende personen

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord