Betekenis van:
luidspreker

luidspreker (de ~ | meervoud luidsprekers)
Zelfstandig naamwoord
  • apparaat dat geluid voortbrengt; luidspreker
"dubbele luidsprekers"
"een radio met drie luidsprekers"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. kasten met één luidspreker
  2. een microfoon en luidspreker;
  3. Klankkasten met één luidspreker
  4. Onderverdeling 852712 omvat slechts radiocassettespelers met ingebouwde versterker doch zonder ingebouwde luidspreker, die zonder een externe elektrische energiebron kunnen werken en waarvan de afmetingen niet meer dan 170 mm × 100 mm × 45 mm bedragen.
  5. .2.3 De omroepinstallatie moet beschermd zijn tegen gebruik door onbevoegden en in alle ruimten duidelijk hoorbaar zijn boven het omgevingslawaai uit, als voorgeschreven in punt 2.2, en moet voorzien zijn van een overneemfunctie die vanuit één plaats op de brug en zodanige andere plaatsen aan boord als de administratie van de vlaggenstaat nodig acht bediend wordt, zodat ook als een luidspreker in de betrokken ruimten is uitgeschakeld of zacht gezet, of als de omroepinstallatie voor andere doeleinden in gebruik is, een dringende mededeling toch zal worden omgeroepen.
  6. De omroepinstallatie moet beschermd zijn tegen gebruik door onbevoegden en in alle ruimten duidelijk hoorbaar zijn boven het omgevingslawaai uit, als voorgeschreven in punt .2.2, en moet voorzien zijn van een overneemfunctie die vanuit één plaats op de brug en zodanige andere plaatsen aan boord als de administratie van de vlaggenstaat nodig acht bediend wordt, zodat ook als een luidspreker in de betrokken ruimten is uitgeschakeld of zacht gezet, of als de omroepinstallatie voor andere doeleinden in gebruik is, een dringende mededeling toch zal worden omgeroepen.