Betekenis van:
mist

mist (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • wolken die vlak boven de grond hangen
"dichte mist"
"in de mist"

Hyperoniemen

mist
Zelfstandig naamwoord
  • laaghangende bewolking die het zicht belemmert

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. We konden niets zien, behalve mist.
  2. Ik wil niet dat iemand dit mist.
  3. Je kan maar beter opschieten, of je mist de trein.
  4. Ik wil niet dat Tom de bus mist.
  5. Londen, waar ik woon, was vroeger beroemd om zijn mist.
  6. De mist is vandaag zo dik als erwtensoep.
  7. Mist,
  8. aangevroren mist
  9. 5 mist
  10. de eigenschappen van mist;
  11. de eigenschappen van mist;
  12. 6 aangevroren mist (rijp)
  13. ontsnapping van gas/damp/mist/enz. naar de lucht
  14. mistachterlicht”: een licht dat het voertuig bij dichte mist achteraan beter waarneembaar maakt;
  15. Onder „mistlicht achter” verstaat men een licht dat de trekker bij dichte mist van achteren beter waarneembaar maakt.