Betekenis van:
nek
nek (de ~ | meervoud nekken)
Zelfstandig naamwoord
- lichaamsdeel
"zich iets op de nek halen/nemen"
"uit je nek kletsen/praten"
Hyperoniemen
nek
Zelfstandig naamwoord
- achterste gedeelte van de hals
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Had het Romeinse volk maar één nek
- Nek
- Hals en nek (uitwendig): …
- Nek, exclusief neksteun
- de nek belasten
- dislocatie van de nek;
- Bot-, gewrichts- of spierklachten, overwegend in nek, schouders, armen of handen
- Kinderdekbedden mogen geen koorden of lussen bevatten waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
- De stootranden mogen geen koorden of lussen hebben waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
- De hangwieg mag geen koorden of linten hebben waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
- „hoofdlijn” een rechte lijn die door het zwaartepunt van het hoofd en door het nek-borstkasgewricht loopt.
- Een hoeveelheid van 0,1 ml brucelline wordt intradermaal geïnjecteerd in de staartplooi, de flankhuid of de zijkant van de nek.
- Ook moet de grootte van de nek- en armopeningen voorkomen dat het kind onderin de slaapzak glipt.
- De slaapzakken mogen geen koorden of lussen hebben waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
- Stootranden voor kinderledikanten mogen geen risico opleveren dat het hoofd en de nek van het kind bekneld raken in lussen of koorden of andere bevestigingsonderdelen.