Betekenis van:
nooduitgang
nooduitgang
Zelfstandig naamwoord
- een weg waarlangs een ruimte in geval van nood verlaten kan worden en die als zodanig aangegeven is
"Deze deur is alleen een nooduitgang."
Voorbeeldzinnen
- Nooduitgang
- Nooduitgang …
- Nooduitgang, verlichting en markering, zaklampen
- bediening van de nooduitgang(en);
- Nooduitgang, verlichting en markering, zaklampen …
- bediening van de nooduitgang(en);
- Noodluiken tellen slechts mee voor één nooduitgang:
- „nooduitgang” een nooddeur, noodraam of noodluik; 2.13.
- Nooduitgang(en) (met inbegrip van hamers om ruiten in te slaan), borden met opschrift „nooduitgang”
- „uitgang”: een bedrijfsdeur, verbindingstrap, halve trap of nooduitgang;
- Borden met opschrift „nooduitgang” ontbreken of zijn onleesbaar.
- Borden met opschrift „nooduitgang” ontbreken of zijn onleesbaar.
- Allereerst moeten de buitendeuren als nooduitgang worden gebruikt.
- Iedere nooduitgang is aan de binnen- en buitenzijde van het voertuig voorzien van het opschrift „Nooduitgang”, in voorkomend geval aangevuld met een internationaal representatief symbool.
- Wat Richtlijn 80/720/EEG betreft, moet worden verduidelijkt welke ramen als nooduitgang mogen worden beschouwd.