Betekenis van:
nooduitgang

nooduitgang (de ~ | meervoud nooduitgangen)
Zelfstandig naamwoord
  • uitgang voor noodsituaties
"via de nooduitgang"

Hyperoniemen

nooduitgang
Zelfstandig naamwoord
  • een weg waarlangs een ruimte in geval van nood verlaten kan worden en die als zodanig aangegeven is
"Deze deur is alleen een nooduitgang."

Voorbeeldzinnen

  1. Nooduitgang
  2. Nooduitgang
  3. Nooduitgang, verlichting en markering, zaklampen
  4. bediening van de nooduitgang(en);
  5. Nooduitgang, verlichting en markering, zaklampen …
  6. bediening van de nooduitgang(en);
  7. Noodluiken tellen slechts mee voor één nooduitgang:
  8. nooduitgang” een nooddeur, noodraam of noodluik; 2.13.
  9. Nooduitgang(en) (met inbegrip van hamers om ruiten in te slaan), borden met opschrift „nooduitgang
  10. „uitgang”: een bedrijfsdeur, verbindingstrap, halve trap of nooduitgang;
  11. Borden met opschrift „nooduitgang” ontbreken of zijn onleesbaar.
  12. Borden met opschrift „nooduitgang” ontbreken of zijn onleesbaar.
  13. Allereerst moeten de buitendeuren als nooduitgang worden gebruikt.
  14. Iedere nooduitgang is aan de binnen- en buitenzijde van het voertuig voorzien van het opschrift „Nooduitgang”, in voorkomend geval aangevuld met een internationaal representatief symbool.
  15. Wat Richtlijn 80/720/EEG betreft, moet worden verduidelijkt welke ramen als nooduitgang mogen worden beschouwd.