Betekenis van:
uitgang

uitgang (de ~ | meervoud uitgangen)
Zelfstandig naamwoord
  • opening waardoor men uit een kamer, gebouw enz. naar buiten kan gaan
"de uitgang bezetten/versperren"
"uit het hart zijn de uitgangen van het leven"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitgang (de ~ | meervoud uitgangen)
Zelfstandig naamwoord
  • morfeem voor vervoeging of verbuiging
"de uitgang van de derde persoon enkelvoud is -t"

Hyperoniemen

uitgang
Zelfstandig naamwoord
  • een weg waarlangs men een ruimte verlaten kan
"De uitgang werd bewaakt door een bewaker."

Voorbeeldzinnen

  1. Waar is de uitgang?
  2. Uitgang:
  3. In- en uitgang
  4. Veilige toegang en uitgang
  5. Punt van uitgang
  6. douanekantoor van uitgang
  7. Punt van uitgang Code
  8. Kantoor van uitgang (29)
  9. BNC-ingang en -uitgang,
  10. audio-ingang en -uitgang.
  11. F802B: douanekantoor van uitgang
  12. 23 Uitgang geweigerd
  13. Douanekantoor van uitgang
  14. 29 Kantoor van uitgang
  15. BIP van uitgang Nr. BIP