Betekenis van:
omgaan met
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ze kon niet omgaan met de angst.
- Kun jij omgaan met de manier waarop hij zich gedraagt?
- We moeten allemaal leren omgaan met deze situatie.
- Omgaan met de werkbelasting
- Het omgaan met mensenmassa's
- Stress en omgaan met stress
- met tegenstrijdige functie-eisen omgaan
- Kunnen omgaan met een koelmiddelcilinder.
- medewerkers die met passagiers omgaan;
- Het omgaan met de passagiers
- Het omgaan met de passagiers
- medewerkers die met passagiers omgaan; en
- De centrale gegevensopslag moet kunnen omgaan met:
- Omgaan met storingsbedrijf, met name voor korte treinen
- Training in het omgaan met brand en rook