Betekenis van:
ongerustheid

ongerustheid (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het zich zorgen maken over iets; bezorgdheid; ongerustheid
"ongerustheid over [iets/iemand]"
"reden tot ongerustheid"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Er is met name ongerustheid over de intrinsieke toxische effecten van deze stof, waaronder mogelijkerwijs hormoonontregeling.
  2. De Commissie merkt op dat veel van de over het beheer van Alitalia bekende gegevens grote ongerustheid deden ontstaan over de ontwikkeling van de kaspositie vanaf de zomer 2004.
  3. In zijn vonnis van 19 december 2001 merkte de president van het Gerecht van eerste aanleg op dat dit ongebruikelijke verzoek de ondernemingen ervan zou kunnen overtuigen Gibraltar niet te verlaten en op het eerste gezicht de eventuele ongerustheid bij de begunstigden aanzienlijk moet bedaren [15].