Betekenis van:
piano

piano (de ~ | meervoud piano's)
Zelfstandig naamwoord
  • muziekinstrument waarbij door het indrukken van toetsen hamertjes met snaren in aanraking worden gebracht
"van piano houden"
"op piano zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

piano
Zelfstandig naamwoord
  • algemene benaming voor een groot snaarinstrument waarvan de snaren via een toetsenbord (klavier) door hamertjes zacht of hard kunnen worden aangeslagen
"Er is veel muziek voor de piano geschreven of bewerkt."
piano
Zelfstandig naamwoord
  • specifieke benaming voor het "wandmodel" van instrument [1] waarbij het toetsenbord haaks op de kast staat
"Voor het inspelen was geen vleugel beschikbaar zodat ze zich moest behelpen met piano van de gastouders."
piano
Bijwoord
  • met een lage geluidssterkte (symbool: p)
"Deze passage moet piano worden gespeeld."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Nancy heeft een piano.
  2. Ik speel graag piano.
  3. Zij speelt zeer goed piano.
  4. Ze speelt elke dag piano.
  5. Het is een oude piano.
  6. Jim begeleidde haar op de piano.
  7. Mijn zus heeft een leuke piano.
  8. Ik heb haar gedwongen piano te spelen.
  9. Hij speelt beter piano dan ik.
  10. Sta je me toe om piano te spelen?
  11. Val di Mello - Piano di Preda Rossa
  12. Cima di Piano Cavallo - Bric Cornia
  13. Op 20 september 2004 heeft de raad van bestuur van Alitalia een nieuw ondernemingsplan („Piano industriale 2005-2008”) goedgekeurd om het hoofd te bieden aan de sterk verslechterde financiële situatie.
  14. Deze verlenging is toegestaan op grond van artikel 11, lid 11, van decreto-legge nr. 35 van 14 maart 2005, omgezet in wet nr. 80/2005 van 14 mei 2005„Disposizioni urgenti nell’ambito del Piano di azione per lo sviluppo economico, sociale e territoriale” (dringende maatregelen in het kader van het actieplan voor de economische, sociale en regionale ontwikkeling).