Betekenis van:
klavier

klavier
Zelfstandig naamwoord
  • toetsenbord.
"Hij was het klavier kwijt dus kon hij de computer niet gebruiken."
klavier
Zelfstandig naamwoord
  • een reeks van knoppen die voor verschillende toonhoogten zorgen
"De organist was driftig op het klavier aan het slaan."
klavier (het ~ | meervoud klavieren)
Zelfstandig naamwoord
  • muziekinstrument waarbij door het indrukken van toetsen hamertjes met snaren in aanraking worden gebracht
"het klavier bespelen"
"aan het klavier [hoort u ...]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

klavier (het ~ | meervoud klavieren)
Zelfstandig naamwoord
  • toetsenbord v.e. muziekinstrument; klavier v.e. orgel/carillon

Synoniemen

Hyperoniemen

klavier (het ~ | meervoud klavieren)
Zelfstandig naamwoord
  • bord met toetsen; toetsenbord v.e. computer

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

klavier
Zelfstandig naamwoord
  • elk van beide lichaamsdelen aan de uiteinden van de armen, geschikt om te grijpen en vast te houden

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen