Betekenis van:
poten

poten
Werkwoord
  • planten
"een boompje poten"
"aardappels poten"

Hyperoniemen

poten
Werkwoord
  • ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
"Deze aardappels moeten nog gepoot worden."
poten
Werkwoord
  • rechtop op de genoemde plaats doen zitten, rusten, staan

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

poten
Zelfstandig naamwoord
  • elk van beide lichaamsdelen aan de uiteinden van de armen, geschikt om te grijpen en vast te houden

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

poot (de ~ | meervoud poten)
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de beide onderste ledematen van de mens
"je poot stijf houden"
"iemand een pootje lichten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

poot (de ~ | meervoud poten)
Zelfstandig naamwoord
  • steun aan een stoel of tafel; lijkt op ledemaat
"iets op poten zetten"
"de poten onder iemands stoel vandaan zagen"

Synoniemen

Hyperoniemen

poot (de ~ | meervoud poten)
Zelfstandig naamwoord
  • nieuw uitgelopen twijg

Synoniemen

Hyperoniemen

poot (de ~ | meervoud poten)
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de ledematen van een dier
"opzitten en pootjes geven"
"op zijn pootjes terecht komen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord