Betekenis van:
schoot

schoot (de ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • kuil in kledingstuk indien opgehouden
"iets in de schoot geworpen krijgen"
"iets in iemands schoot werpen"

Hyperoniemen

schoot (de ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • bovenbenen wanneer je zit
"haar handen rustten in haar schoot"
"iemand op schoot nemen"

Hyperoniemen

schoot (de ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • touw aan een zeil
"de schoot vieren/ruimen"
"de schoot aantrekken"

Hyperoniemen

schoot (de ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • uterus; baarmoeder; baarmoeder
"toen hij zich nog in de schoot van zijn moeder bevond"
"de vrucht van haar schoot"

Synoniemen

Hyperoniemen

schoot (de ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • schuilplaats; haven voor noodgevallen; dat wat een toevlucht biedt
"de schoot van moeder aarde"
"in de schoot van zijn familie terugkeren"

Synoniemen

Hyperoniemen

schoot
Zelfstandig naamwoord
  • deel van een slot dat bij sluiting naar buiten uitspringt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

schoot
Zelfstandig naamwoord
  • de bovenkant van de dijen van iemand die zit
schoot
Zelfstandig naamwoord
  • baarmoeder
schoot
Zelfstandig naamwoord
  • een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
schoot
Zelfstandig naamwoord
  • nieuw uitgelopen twijg

Synoniemen

Hyperoniemen

schoot (de ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • kledingstuk ter bescherming; deel v.e. kledingstuk rond het middel

Synoniemen

Hyperoniemen

schoot
Zelfstandig naamwoord
  • mate waarin iets schuin afloopt; afwijking van het horizontale vlak, glooiing

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord