Betekenis van:
schieten

schieten
Werkwoord
zich plotseling, snel bewegen of aldus bewogen worden in de richting die een bepaling noemt
"in/uit je kleding/jas schieten"
"uit je sloffen schieten"

Synoniemen

Hyperoniemen

schieten
Werkwoord
zich snel voortbewegen
"Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen."
schieten
Werkwoord
plotseling in een toestand raken
"in de lach schieten"

Hyperoniemen

schieten
Werkwoord
(een bal) hard trappen
"de bal schieten"
"de bal schieten naar iemand"

Hyperoniemen

schieten
Werkwoord
doden, verwonden
"konijnen/herten schieten"
"ik kan hem/haar wel schieten!"

Hyperoniemen

schieten
Werkwoord
door drukken in werking stellen; vonken verspreiden; kogels of pijlen afvuren; met vuurwapens schieten; schieten
"'je geld'/sta of ik schiet!"
"op iets/iemand schieten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

schieten
Werkwoord
snel groeien
schieten
Werkwoord
de bal een trap geven (bv in het voetbal) of een slag geven (bv met een hockeystick)
schieten
Werkwoord
een projectiel afvuren met een wapen

Werkwoord