Vervoeging van afschieten

Onbepaalde wijs (infinitief): afschieten
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schiet af
    • jij schiet af
    • hij/zij/het schiet af
    • wij schieten af
    • jullie schieten af
    • zij schieten af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schoot af
    • jij schoot af
    • hij/zij/het schoot af
    • wij schoten af
    • jullie schoten af
    • zij schoten af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgeschoten
    • jij hebt afgeschoten
    • hij/zij/het heeft afgeschoten
    • wij hebben afgeschoten
    • jullie hebben afgeschoten
    • zij hebben afgeschoten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgeschoten
    • jij had afgeschoten
    • hij/zij/het had afgeschoten
    • wij hadden afgeschoten
    • jullie hadden afgeschoten
    • zij hadden afgeschoten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afschieten
    • jij zult afschieten
    • hij/zij/het zal afschieten
    • wij zullen afschieten
    • jullie zullen afschieten
    • zij zullen afschieten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgeschoten hebben
    • jij zult afgeschoten hebben
    • hij/zij/het zal afgeschoten hebben
    • wij zullen afgeschoten hebben
    • jullie zullen afgeschoten hebben
    • zij zullen afgeschoten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afschieten
    • jij zou afschieten
    • hij/zij/het zou afschieten
    • wij zouden afschieten
    • jullie zouden afschieten
    • zij zouden afschieten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgeschoten
    • jij zou hebben afgeschoten
    • hij/zij/het zou hebben afgeschoten
    • wij zouden hebben afgeschoten
    • jullie zouden hebben afgeschoten
    • zij zouden hebben afgeschoten
  • Imperatief

    • jij schiet af
    • jullie schiet af

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van afschieten