Betekenis van:
kledingstuk
kledingstuk (het ~ | meervoud kledingstukken)
Zelfstandig naamwoord
- voorwerp dat dienst doet als kleding
"kledingstukken dragen"
"kledingstukken combineren"
Hyperoniemen
Hyponiemen
kledingstuk
Zelfstandig naamwoord
- een deel van de kleding
"Hij kocht dat kledingstuk op de markt."
Voorbeeldzinnen
- Deze bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de snit van het kledingstuk duidelijk weergeeft dat het kledingstuk ontworpen is voor het ene of het andere geslacht.
- hetzij een „skioverall”, zijnde een eendelig kledingstuk ontworpen om het boven- en onderlichaam te bedekken; naast de mouwen en de kraag mag dit kledingstuk voorzien zijn van zakken en van voetbandjes;
- Bijgevolg is het artikel een textielartikel van afdeling XI en niet een kledingstuk van kunststof van post 392620.
- Het kledingstuk is voorzien van elastiek in de taille en de broekspijpen zijn aan de onderzijde gezoomd.
- een kledingstuk zoals een anorak, blouson of dergelijk artikel, met een treksluiting, eventueel vergezeld van een vest;
- Aan beide zijden van het kledingstuk bevinden zich opgenaaide zakken, voorzien van een ritssluiting. In iedere zak bevindt zich een in serie geproduceerd uitneembaar ovalen inzetstuk.
- Een lichaamsdeel, het haar of een kledingstuk van een persoon wordt door de roterende onderdelen gegrepen; hierdoor ontstaat een trekkracht en druk op het lichaamsdeel
- Het kledingstuk wordt ingedeeld als heren- of jongenskleding als bedoeld in de eerste alinea van aantekening 9 op hoofdstuk 61 omdat de snit ervan (vooral de bijzondere vorm van de opening aan de voorzijde) duidelijk weergeeft dat het kledingstuk bestemd is voor heren.
- Indien voor een kledingstuk van ex hoofdstuk 62, van gebonden textielvlies, slechts het gebruik van garen dat niet van oorsprong is, is toegestaan, dan is het niet mogelijk uit te gaan van stof van gebonden textielvlies — zelfs al kan gebonden textielvlies normalerwijze niet van garen worden vervaardigd.