Betekenis van:
praten

praten
Werkwoord
  • met woorden in een toestand brengen
"iemand naar de mond praten"
"daarover valt te praten (met iemand)"

Hyperoniemen

praten
Werkwoord
  • zich met behulp van de stem uiten
"Hij bleef maar praten over het uitje naar Terschelling."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Misschien kunnen we praten.
  2. Wij praten graag.
  3. Kunnen we praten?
  4. Hij stopte plotseling met praten.
  5. Tom wil niet erover praten.
  6. Niet tegen hem praten terwijl hij rijdt.
  7. We zullen er later over praten.
  8. Laten we er na school over praten.
  9. Ik probeerde in het Chinees te praten en mijnheer Wang probeerde in het Frans te praten.
  10. Er is iemand met wie ik eerst wil praten.
  11. Ik kan over alles praten met mijn beste vriend.
  12. Ik heb geen zin tegen iemand te praten.
  13. Het is onbeleefd tijdens een concert te praten.
  14. De man waar ik mee aan het praten was is mijn leerkracht Engels.
  15. Tom bleef maar praten en liet Mary er geen woord tussen krijgen.