Betekenis van:
privé

privé
Bijvoeglijk naamwoord
  • behorend tot of betr. hebbend op een bepaald persoon
"sorry, maar dat is privé"
"strikt privé"

Synoniemen

privé
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''alleen predicatief:'' voor persoonlijk gebruik gereserveerd
"Deze toegang tot het meer is privé."

Voorbeeldzinnen

  1. Privé-reizen
  2. privé gebruik;
  3. „Privé”-functies dienen uitsluitend ter informatie.
  4. handelingen die privé en niet bedrijfsmatig zijn verricht,
  5. gebruik van een persoonlijk e-mailadres (privé of kantoor);
  6. de stortingen, giften of legaten van andere staten, organisaties en programma's van de Verenigde Naties, andere regionale of internationale organisaties, en overheids- of privé-instellingen of privé-personen;
  7. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om software te downloaden;
  8. In privé-badkamers en kombuizen behoeven geen rookdetectoren te worden aangebracht.
  9. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om software te downloaden;
  10. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden voor andere communicatieactiviteiten;
  11. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden voor internetbankieren;
  12. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om goederen of diensten te verkopen;
  13. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om te telefoneren via internet;
  14. internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om webradio te luisteren of webtelevisie te kijken;
  15. Koeriers kunnen voor het verrichten van deze diensten gebruikmaken van eigen vervoer, gedeeld privé-vervoer of openbaar vervoer.