Betekenis van:
privé

privé
Bijvoeglijk naamwoord
  • behorend tot of betr. hebbend op een bepaald persoon
"sorry, maar dat is privé"
"strikt privé"

Synoniemen

privé
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''alleen predicatief:'' voor persoonlijk gebruik gereserveerd
"Deze toegang tot het meer is privé."

Voorbeeldzinnen

  1. Zij huurde een privé-detective.
  2. Privé-reizen
  3. privé gebruik;
  4. Privé-reizen (code 240)
  5. privé-detective („Berufsdetektiv”);
  6. E-mail (privé, zakelijk).”.
  7. Telefoonnummers (mobiel, privé, zakelijk);
  8. E-mail (privé, zakelijk).
  9. Overige privé-reizen (code 243)
  10. bij toeristische of privé-reizen:
  11. Privé”-functies dienen uitsluitend ter informatie.
  12. handelingen die privé en niet bedrijfsmatig zijn verricht,
  13. gebruik van een persoonlijk e-mailadres (privé of kantoor);
  14. de stortingen, giften of legaten van andere staten, organisaties en programma's van de Verenigde Naties, andere regionale of internationale organisaties, en overheids- of privé-instellingen of privé-personen;
  15. Privé-reizen (code 240) is onderverdeeld in drie subcategorieën: Uitgaven voor gezondheid (code 241), Uitgaven voor onderwijs (code 242) en Overige privé-reizen (code 243).