Betekenis van:
privé
privé
Bijvoeglijk naamwoord
- behorend tot of betr. hebbend op een bepaald persoon
"sorry, maar dat is privé"
"strikt privé"
Synoniemen
privé
Bijvoeglijk naamwoord
- ''alleen predicatief:'' voor persoonlijk gebruik gereserveerd
"Deze toegang tot het meer is privé."
Voorbeeldzinnen
- Privé-reizen
- privé gebruik;
- „Privé”-functies dienen uitsluitend ter informatie.
- handelingen die privé en niet bedrijfsmatig zijn verricht,
- gebruik van een persoonlijk e-mailadres (privé of kantoor);
- de stortingen, giften of legaten van andere staten, organisaties en programma's van de Verenigde Naties, andere regionale of internationale organisaties, en overheids- of privé-instellingen of privé-personen;
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om software te downloaden;
- In privé-badkamers en kombuizen behoeven geen rookdetectoren te worden aangebracht.
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om software te downloaden;
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden voor andere communicatieactiviteiten;
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden voor internetbankieren;
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om goederen of diensten te verkopen;
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om te telefoneren via internet;
- internetgebruik in de laatste drie maanden voor privé-doeleinden om webradio te luisteren of webtelevisie te kijken;
- Koeriers kunnen voor het verrichten van deze diensten gebruikmaken van eigen vervoer, gedeeld privé-vervoer of openbaar vervoer.