Betekenis van:
proeftijd

proeftijd (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwaardelijke veroordeling
"(een voorwaardelijke straf met) een proeftijd van vier jaar"

Hyperoniemen

proeftijd (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • eerste periode zonder opzegtermijn; periode om te zien of iets bevalt
"in je proeftijd zitten"
"een proeftijd hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. PROEFTIJD
  2. Proeftijd
  3. Uitstel van straf/maatregel met proeftijd/toezicht
  4. Gedeeltelijk uitstel van straf/maatregel met proeftijd/toezicht
  5. Deze proeftijd is uitsluitend van toepassing op nieuw aangeworven personeelsleden.
  6. De aangepaste proeftijdvoorwaarde, alternatieve straf of proeftijd mag niet strenger of langer zijn dan de oorspronkelijk opgelegde proeftijdvoorwaarde, alternatieve straf of proeftijd.
  7. De directeur kan evenwel, bij wijze van uitzondering, de proeftijd met ten hoogste zes maanden verlengen.
  8. Totale duur van de proeftijd (indien verschillend van de in punt 1 vermelde duur):
  9. gedurende of na het verstrijken van de proeftijd, overeenkomstig artikel 38;
  10. Het personeelslid moet binnen één jaar na het verstrijken van de proeftijd verhuizen.
  11. Iedere initiële overeenkomst omvat een proeftijd van zes maanden die ingaat op de datum van indiensttreding.
  12. De tijdelijke functionaris kan worden verplicht een proeftijd van ten hoogste zes maanden te volbrengen.
  13. Iedere initiële overeenkomst omvat een proeftijd van zes maanden die ingaat op de datum van indiensttreding.
  14. De proeftijd maakt een integrerend deel uit van de looptijd van de initiële overeenkomst.
  15. Bij zijn aanstelling dient elk personeelslid een proeftijd van zes maanden te volbrengen.