Betekenis van:
ruitenwisser

ruitenwisser
Zelfstandig naamwoord
  • een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
"Zet de ruitenwissers even aan, ik zie niets!"
ruitenwisser
Zelfstandig naamwoord
  • een strook rubber in een houder met handvat dat gebruikt wordt bij het glazenwassen
ruitenwisser (de ~ | meervoud ruitenwissers)
Zelfstandig naamwoord
  • wisser op de ruit v.e. auto

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ruitenwisser
  2. Ruitenwisser achterruit
  3. Ruitenwisser(s)
  4. Ruitenwisser voorruit met intervalschakelaar
  5. Combinatie ruitenwisser/sproeier achterruit
  6. Combinatie ruitenwisser/ruitensproeier
  7. (verlichting, ruitenwisser, ruitensproeier, claxon, richtingaanwijzers, enz.)
  8. Voorste ruitenwisser AAN (manueel) tegen maximumsnelheid
  9. wijzigingen van het zicht van de bestuurder, bijv. dimlicht, ruitenwisser.
  10. de ruitenwisser is ingeschakeld en heeft gedurende ten minste twee minuten continu of automatisch gewerkt.
  11. De buitenspiegel moet zichtbaar zijn door het deel van de voorruit dat door de ruitenwisser wordt bestreken of door de zijruiten, wanneer die er zijn.
  12. De exploitant voert geen vluchten uit met een vliegtuig met een maximale gecertificeerde startmassa van 5700 kg of meer tenzij het bij elke pilotenpost voorzien is van een ruitenwisser of gelijkwaardige inrichting om een deel van de voorruit vrij van neerslag te houden.
  13. De exploitant voert geen vluchten uit met een vliegtuig met een maximale gecertificeerde startmassa van 5700 kg of meer tenzij het bij elke pilotenpost voorzien is van een ruitenwisser of gelijkwaardige inrichting om een deel van de voorruit vrij van neerslag te houden.