Betekenis van:
schelp

schelp (de ~ | meervoud schelpen)
Zelfstandig naamwoord
  • deel van het omhulsel van weekdieren
"Het kind had een mooie schelp gevonden op het strand."
"De garnalen werden geserveerd in een schelp."

Hyperoniemen

schelp (de ~ | meervoud schelpen)
Zelfstandig naamwoord
  • omhulsel v.e. weekdier
"uit zijn schelp komen"
"in zijn schelp kruipen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

schelp
Zelfstandig naamwoord
  • een uit kalk (calciet en/of aragoniet) en andere mineralen bestaand, gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier (stam der ''Mollusca'') wordt aangemaakt
schelp (de ~ | meervoud schelpen)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.d. neus

Synoniemen

Hyperoniemen

schelp (de ~ | meervoud schelpen)
Zelfstandig naamwoord
  • uitwendige deel v.h. oor; uitwendig deel v.h. oor

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen