Betekenis van:
schroot

schroot (de ~ | meervoud schroten)
Zelfstandig naamwoord
  • smalle strook gezaagd hout voor afrasteringen, behangwerk enz. gebruikt
"een wand van schrootjes"

Hyperoniemen

schroot (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • afval van metaal
"een handelaar in schroot"
"een hoop schroot"

Synoniemen

Hyperoniemen

schroot
Zelfstandig naamwoord
  • brokstukken of grof gemalen stukken van enige stof

Hyperoniemen

schroot
Zelfstandig naamwoord
  • metaalafval in stukjes en snippers
schroot
Zelfstandig naamwoord
  • dunne plint gezaagd hout

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. … waarvan roestvrij schroot
  2. GROOTHANDEL IN AFVAL EN SCHROOT
  3. mangaanschroot schroot van zeldzame aardmetalen
  4. verkoop van afval en schroot;
  5. keramisch snijmateriaal en schroot (metaal-keramisch composietmateriaal)
  6. Dit punt heeft geen betrekking op schroot uit elektriciteitscentrales.
  7. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte industriële bewerkingen;
  8. Er wordt vanuit gegaan dat dergelijk schroot volledig gepolymeriseerd is.
  9. Verbruik van schroot bij de productie van staal in elektro-ovens.
  10. Dit omvat de aanvoer van schroot uit niet-EU-landen (of derde landen).
  11. plastic schroot van de volgende niet-gehalogeneerde polymeren en co-polymeren:
  12. Resten en afval, van gietijzer, van ijzer of van staal (schroot); afvalingots van ijzer of van staal
  13. plastic schroot van niet-gehalogeneerde polymeren en co-polymeren, met inbegrip van de volgende stoffen, maar daartoe niet beperkt:
  14. Zo zal de aankoop van schroot toevallen aan de groep-[…] en de aankoop van ertsen, kolen en cokes aan de […]-groep.
  15. In werkelijkheid sloten vele leveranciers een zogenaamde barterovereenkomst, waarbij grondstoffen, hoofdzakelijk schroot, werden betaald met afgewerkte producten, zoals staalplaten, die waren bestemd voor specifieke eindafnemers.