Betekenis van:
soep

soep (de ~ | meervoud soepen)
Zelfstandig naamwoord
  • gerecht v.e. vloeibare massa
"hete soep"
"er wel soep van lusten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

soep
Zelfstandig naamwoord
  • een vloeibaar gerecht dat bereid wordt door bepaalde ingrediënten, met name groenten en/of vlees, met bouillon en veel water te koken
"Na gisteren lasagne te hebben gegeten, eten ze vandaag soep."

Voorbeeldzinnen

  1. De soep is heet.
  2. De soep smaak naar look.
  3. De soep is te zout.
  4. De soep is te heet.
  5. Deze soep is te pittig.
  6. Deze soep heeft een vleugje zout nodig.
  7. Eet je soep voor hij koud wordt.
  8. Vraag haar hoeveel soep ze wil.
  9. De soep in de kom was heel lekker.
  10. Ik hou ervan om hete soep te eten.
  11. Deze miso soep is te heet om te drinken.
  12. Soep
  13. Soep
  14. Gemengde soep
  15. Gedehydrateerde soep en bouillon