Betekenis van:
spijt
spijt (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- bezwaarlijk gevoel achteraf
"spijt (hebben) van [je gedrag]"
"tot [mijn] spijt"
Hyperoniemen
spijt
Zelfstandig naamwoord
- ''~ hebben over'' de wens koesteren een gemaakte keuze nog te kunnen veranderen
"Ik heb er spijt over weggegaan te zijn."
spijt
Zelfstandig naamwoord
- ''ten ~'' ondanks
"Het slechte weer ten spijt is hij toch gekomen."
spijt
Voorzetsel
- ondanks
"Hij is spijt dezes toch gekomen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Het spijt me zeer.
- Het spijt me werkelijk.
- Tom heeft geen spijt.
- Wat als het je spijt?
- Het spijt me dat te horen.
- Het spijt me, ik heb geen wisselgeld.
- Het spijt me dat te horen.
- Het spijt me, ik hou van je.
- Het spijt me, ik ben vergeten mijn huiswerk te doen.
- Het spijt me dat ik je zoveel problemen heb bezorgd.
- Vroeg of laat zal hij er spijt van krijgen.
- Het spijt me dat ik je mail per ongeluk opende.
- Er is niets om spijt van te hebben.
- Het spijt me zeer dat ik zo laat ben!
- Het spijt me dat ik je vanavond niet kan ontmoeten.