Betekenis van:
spijt

spijt (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • bezwaarlijk gevoel achteraf
"spijt (hebben) van [je gedrag]"
"tot [mijn] spijt"

Hyperoniemen

spijt
Zelfstandig naamwoord
  • ''~ hebben over'' de wens koesteren een gemaakte keuze nog te kunnen veranderen
"Ik heb er spijt over weggegaan te zijn."
spijt
Zelfstandig naamwoord
  • ''ten ~'' ondanks
"Het slechte weer ten spijt is hij toch gekomen."
spijt
Voorzetsel
  • ondanks
"Hij is spijt dezes toch gekomen."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Het spijt me zeer.
  2. Het spijt me werkelijk.
  3. Tom heeft geen spijt.
  4. Wat als het je spijt?
  5. Het spijt me dat te horen.
  6. Het spijt me, ik heb geen wisselgeld.
  7. Het spijt me dat te horen.
  8. Het spijt me, ik hou van je.
  9. Het spijt me, ik ben vergeten mijn huiswerk te doen.
  10. Het spijt me dat ik je zoveel problemen heb bezorgd.
  11. Vroeg of laat zal hij er spijt van krijgen.
  12. Het spijt me dat ik je mail per ongeluk opende.
  13. Er is niets om spijt van te hebben.
  14. Het spijt me zeer dat ik zo laat ben!
  15. Het spijt me dat ik je vanavond niet kan ontmoeten.