Betekenis van:
stijf

stijf
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet makkelijk te bewegen
"(een) stijve nek/spieren/ledematen"
"zo stijf als een plank"
stijf
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet gemakkelijk te vervormen of te buigen
"Een stalen balk is stijf genoeg om dit gewicht te dragen."
stijf
Bijvoeglijk naamwoord
  • ongemakkelijk in de omgang
"Hij is zo stijf als een hark!"
stijf
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet te verbuigen; niet flexibel; niet soepel; stug
"een stijf/stijve boord"
"zo stijf als een plank"

Synoniemen

stijf
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet hartelijk of toeschietelijk
"een 'stijf knikje'/'stijve begroeting'"
"een stijve hark"

Synoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. stijf
  2. Stijf deel”: een structuuronderdeel of -element dat tijdens de kanteltest niet significant vervormt en geen significante energieabsorptie vertoont.
  3. Voertuigen met niet-wegklapbare achterruiten van stijf materiaal worden beschouwd als voertuigen met kantel-/schuifdak, zoals bedoeld in punt 2.8.
  4. Het bovenbeen-botslichaam is stijf, aan de kant van de botsing bedekt met schuim en 350 ± 5 mm lang; het stemt overeen met figuur 2.
  5. Het onderste uiteinde van de slinger bestaat uit een stijf hoofdvormig botslichaam met een diameter van 165 mm, waarvan het middelpunt samenvalt met het slagmiddelpunt van de slinger.
  6. Het onderste uiteinde van de slinger bestaat uit een stijf hoofdvormig botslichaam met een diameter van 165 mm, waarvan het middelpunt samenvalt met het slagmiddelpunt van de slinger.1.2.2.
  7. Het deel van de trekker dat stijf verbonden is met de as die meer dan 50 % van het gewicht van de trekker draagt, wordt met een krik of hijswerktuig opgetild, waarbij de hellingshoek constant wordt gemeten.
  8. Indien er een opening is tussen de rand van stijf materiaal en het paneel, moet deze rand worden afgerond met een minimale afrondingsstraal overeenkomstig de tabel in de toelichting bij punt 5.1.1.
  9. „cabriolet”: een voertuig dat, onder bepaalde gebruiksomstandigheden, geen enkel stijf carrosseriedeel boven de gordellijn heeft, met uitzondering van de voorste dakstijlen en/of rolbeugels en/of de bevestigingspunten van de veiligheidsgordels (zie bijlage X, toelichting, punten 2.5 en 2.7).
  10. "Compensatiesystemen" (6): bestaan uit de primaire scalaire sensor, een of meer referentiesensoren (bijvoorbeeld vectormagnetometers), samen met "programmatuur", waardoor een vermindering van het rotatiegeluid van een stijf lichaam van het platform mogelijk wordt.
  11. Bij gelede trekkers wordt gebruikgemaakt van extra stutten en bevestigingen om ervoor te zorgen dat het gedeelte van de trekker waarop de kantelbeveiliging is gemonteerd, even stijf is als dat van een niet-gelede trekker.
  12. als de stoter op een onderstel (bewegende slede) is bevestigd met behulp van een bevestigingselement, moet dit stijf zijn en mag het niet door de botsing worden vervormd; het onderstel moet op het moment van de botsing vrij kunnen bewegen en mag niet langer door de aandrijfinrichting worden voortbewogen;
  13. Indien een uitsteeksel een onderdeel omvat van niet-stijf materiaal met een shorehardheid van minder dan 50A, dat op een stijve steun is gemonteerd, zijn de voorschriften van de punten 5.1.4 en 5.1.5 alleen van toepassing op de stijve steun ofwel moet aan de hand van tests overeenkomstig de in bijlage IV beschreven procedure worden aangetoond dat het zachte materiaal met een shorehardheid van minder dan 50A tijdens de specifieke botstest niet zal barsten en in contact zal komen met de steun.
  14. Indien bovengenoemde delen een onderdeel omvatten van niet-stijf materiaal met een shorehardheid van minder dan 50A, dat op een stijve steun is gemonteerd, zijn bovenvermelde voorschriften alleen van toepassing op de stijve steun ofwel moet aan de hand van tests overeenkomstig de in bijlage IV beschreven procedure worden aangetoond dat het zachte materiaal met een shorehardheid van minder dan 50A tijdens de specifieke botstest niet zal barsten en in contact zal komen met de steun.
  15. Indien een uitsteeksel een onderdeel omvat van niet-stijf materiaal met een shorehardheid van minder dan 50A, dat op een stijve steun is gemonteerd, zijn bovenvermelde voorschriften, met uitzondering van de voorschriften van bijlage IV inzake energieabsorptie, alleen van toepassing op de stijve steun ofwel moet aan de hand van tests overeenkomstig de in bijlage IV beschreven procedure worden aangetoond dat het zachte materiaal met een shorehardheid van minder dan 50A tijdens de specifieke botstest niet zal barsten en in contact zal komen met de steun.