Betekenis van:
storm
storm
Zelfstandig naamwoord
- erg harde wind (windkracht 9)
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Een storm in een glas water.
- De storm heeft de hele stad verwoest.
- We werden door een storm bevangen.
- Wie wind zaait, zal storm oogsten.
- Na de storm was de weg door omgevallen bomen geblokkeerd.
- Dit is de ergste storm in tien jaar.
- We stelden ons vertrek uit vanwege de storm.
- Door de storm zijn we niet op de voorziene tijd kunnen aankomen.
- de heer Henrik RINGBÆK MADSEN, Regionsrådsmedlem, ter vervanging van mevrouw Vibeke STORM RASMUSSEN,
- Zoals Frankrijk bij brief van 13 augustus 2001 aangaf, waren deze maatregelen bedoeld ter verlichting van de kasmiddelenproblemen van de door de gebeurtenissen (storm en olieramp) getroffen bedrijven.
- Ook de storm van 26 en 27 december 1999 kan gezien de extreme en ongewone hevigheid ervan als natuurramp worden beschouwd.
- Slowakije heeft op 24 januari 2005 een beroep gedaan op het fonds in verband met zware schade als gevolg van een storm.
- De ramp met de storm in Zweden, Estland, Letland en Litouwen op 8 januari 2005 voldoet aan de criteria voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Fonds,
- In het geval van de storm die Slowakije in november 2004 trof, is voldaan aan de criteria voor beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU,
- Frankrijk heeft geconstateerd dat het niet voldoende was alleen de door de storm en de olieramp getroffen viskwekers in aanmerking te laten komen voor de verlichtingsmaatregel.