Betekenis van:
storm

storm (de ~ | meervoud stormen)
Zelfstandig naamwoord
  • weer met veel harde wind; wind met stormkracht
"de storm raast/woedt"
"een storm 'barst los'/'breekt los'"

Synoniemen

Hyperoniemen

storm
Zelfstandig naamwoord
  • erg harde wind (windkracht 9)

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Een storm in een glas water.
  2. De storm heeft de hele stad verwoest.
  3. We werden door een storm bevangen.
  4. Wie wind zaait, zal storm oogsten.
  5. Na de storm was de weg door omgevallen bomen geblokkeerd.
  6. Dit is de ergste storm in tien jaar.
  7. We stelden ons vertrek uit vanwege de storm.
  8. Door de storm zijn we niet op de voorziene tijd kunnen aankomen.
  9. de heer Henrik RINGBÆK MADSEN, Regionsrådsmedlem, ter vervanging van mevrouw Vibeke STORM RASMUSSEN,
  10. Zoals Frankrijk bij brief van 13 augustus 2001 aangaf, waren deze maatregelen bedoeld ter verlichting van de kasmiddelenproblemen van de door de gebeurtenissen (storm en olieramp) getroffen bedrijven.
  11. Ook de storm van 26 en 27 december 1999 kan gezien de extreme en ongewone hevigheid ervan als natuurramp worden beschouwd.
  12. Slowakije heeft op 24 januari 2005 een beroep gedaan op het fonds in verband met zware schade als gevolg van een storm.
  13. De ramp met de storm in Zweden, Estland, Letland en Litouwen op 8 januari 2005 voldoet aan de criteria voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Fonds,
  14. In het geval van de storm die Slowakije in november 2004 trof, is voldaan aan de criteria voor beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU,
  15. Frankrijk heeft geconstateerd dat het niet voldoende was alleen de door de storm en de olieramp getroffen viskwekers in aanmerking te laten komen voor de verlichtingsmaatregel.