Betekenis van:
straffen

straffen
Werkwoord
  • (iem.) straf geven, laten ondergaan
"iemand voor [een inbraak] straffen"
"je zult ermee gestraft zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

straffen
Werkwoord
  • negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
"De leraar strafte hem omdat hij te laat kwam, hij moest een nablijfbriefje halen bij de conciërge."
straf (de ~ | meervoud straffen)
Zelfstandig naamwoord
  • maatregel tegen iets ongeoorloofds; toediening v.e. straf; bestraffende maatregel
"een disciplinaire straf"
"je straf uitzitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. We zullen je straffen in de naam van de Maan!
  2. Indien de leerling beter zijn les kende, zou de leraar hem niet straffen.
  3. Door er één te straffen, kan men er honderd tot beter inzicht brengen
  4. Financiële straffen
  5. Straffen of disciplinaire maatregelen
  6. Andere straffen en maatregelen
  7. Proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen:
  8. Straffen voor mensensmokkelaars en mensenhandelaars
  9. voor het opleggen van straffen;
  10. Soorten proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen
  11. Aanpassing van de proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen
  12. Gegevens over nationale veroordelingen, straffen en maatregelen
  13. Categorieën en subcategorieën straffen en maatregelen
  14. Straffen voor tussenpersonen en personen die zwartwerkers in dienst hebben
  15. De in de leden 1 en 2 bedoelde straffen gelden onverminderd de verdere straffen waarin nationale voorschriften voorzien.