Betekenis van:
stronk

stronk (de ~ | meervoud stronken)
Zelfstandig naamwoord
  • afgeknotte boomstam; overblijvend deel v.e. omgezaagde boom

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. intact; ontbrekende buitenste bladeren en barstjes in de stronk worden niet als een gebrek beschouwd,
  2. De stronk moet onmiddellijk onder de onderste bladeren zijn afgesneden en het snijvlak moet glad zijn.
  3. Sluitkool moet tot vlak bij de stronk van overbodig blad zijn ontdaan.
  4. De stronk moet dicht onder de aanzet van de bladeren zijn afgesneden; de bladeren moeten stevig vastzitten en het snijvlak moet glad zijn.