Betekenis van:
taxi

taxi (de ~ | meervoud taxi's)
Zelfstandig naamwoord
  • huurauto met chauffeur, voorzien van een taxameter
"een taxi aanhouden"
"een taxi bellen"

Hyperoniemen

taxi
Zelfstandig naamwoord
  • een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
"Ik heb maar een taxi genomen."

Voorbeeldzinnen

  1. Taxi
  2. Kunt u een taxi voor me bestellen?
  3. Neem een taxi naar het hotel.
  4. Ze nam de taxi naar het museum.
  5. Hij riep een taxi voor mij.
  6. Ik nam een taxi, omdat het regende.
  7. Ik nam een taxi, omdat de bus te laat was.
  8. "Is dit een illegale taxi?", vroeg ik hem.
  9. We namen een taxi om er op tijd te geraken.
  10. het voertuig wordt gebruikt als taxi,
  11. De nationale „Taxi”-categorie is op 1 oktober 1998 afgeschaft.
  12. Vervoer van individuele personen of groepen personen en hun bagage, per taxi of huurauto met chauffeur.
  13. de extra tijd in de taxifase bij vertrek (Taxi-Out-Phase);
  14. Taxi- en parkeerkosten gemaakt op het vertrekpunt (of op de luchthaven van vertrek) worden niet vergoed.
  15. B* voor voertuigen uit categorie B die als taxi, voor autoverhuur, personenvervoer enz., worden gebruikt. Voor de bevoegdheid tot het besturen van voertuigen uit categorie AF en/of BF waren de geldigverklaring van categorie A en/of B en van categorie F en de vermelding van het kentekennummer op het rijbewijs vereist.