Betekenis van:
teugel

teugel (de ~ | meervoud teugels)
Zelfstandig naamwoord
  • riem om rijdier te besturen; teugel; riem of koord, stel riemen of koorden waarmee men een rij- of trekdier bestuurt; riem om een trekdier te sturen
"de teugels kort houden"
"een paard bij de teugels leiden"

Synoniemen

Hyperoniemen

teugel
Zelfstandig naamwoord
  • riem of koord waarmee men een last- of rijdier bestuurt
"Met een krachtige ruk aan de teugels kwam het paard tot stiltand."
teugel
Zelfstandig naamwoord
  • de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de bovensnavel
"Bij het roodborstje is ook de teugel rood."

Werkwoord