Betekenis van:
riem

riem
Zelfstandig naamwoord
  • een steel met een blad dat gebruikt wordt een vaartuig voort te bewegen
"Omdat hij niet wist hoe hij de riem goed vast kon houden, roeide hij erg langzaam."
riem
Zelfstandig naamwoord
  • een band van leer of een ander materiaal
"Hij droeg altijd een riem omdat anders zijn broeken niet lekker zaten."
riem (de ~ | meervoud riemen)
Zelfstandig naamwoord
  • gereedschap om een vaartuig vooruit te roeien
"roeien met de riemen die je hebt"
"met zijn eigen riemen roeien"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

riem (de ~ | meervoud riemen)
Zelfstandig naamwoord
  • riem die beschermt bij ongevallen; veiligheidsgordel in een vervoermiddel; stoelriem in auto's; veiligheidsriem
"je riemen omdoen"
"riemen vast!"

Synoniemen

Hyperoniemen

riem
Zelfstandig naamwoord
  • band voor om het middel

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

riem
Zelfstandig naamwoord
  • kleine pees

Hyperoniemen

riem
Zelfstandig naamwoord
  • hoeveelheid papier van 480 vellen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Riem
  2. Aangenaaide riem
  3. Een compressor bestaat gewoonlijk uit een pomp, die ofwel rechtstreeks ofwel via een riem door een elektrische motor wordt aangedreven.
  4. De riem moet zodanig op het zadel of op andere met het frame verbonden gedeelten zijn gemonteerd dat de passagier deze gemakkelijk kan gebruiken.
  5. De riem en de bevestiging daarvan moeten zodanig zijn ontworpen dat zij zonder breuk bestand zijn tegen een verticale trekkracht van 2000 N die met een maximale druk van 2 MPa op statische wijze op het midden van het oppervlak van de riem wordt uitgeoefend.
  6. Indien een passagier kan worden vervoerd moet het voertuig van een beveiligingssysteem voor passagiers zijn voorzien. Dit systeem moet bestaan uit een riem dan wel een of meer handgrepen.