Betekenis van:
ticket

ticket (de/het ~ | meervoud tickets)
Zelfstandig naamwoord
  • toegangskaartje
"tickets voor [Londen/een sportwedstrijd/Pavarotti]"
"een ticket boeken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb geen ticket.
  2. Waar heeft u het ticket gekocht?
  3. „ticket”: geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële vorm, dat door de luchtvaartmaatschappij, spoorwegonderneming of een erkende agent is uitgegeven of toegestaan;