Betekenis van:
ticket
ticket (de/het ~ | meervoud tickets)
Zelfstandig naamwoord
- toegangskaartje
"tickets voor [Londen/een sportwedstrijd/Pavarotti]"
"een ticket boeken"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Ik heb geen ticket.
- Waar heeft u het ticket gekocht?
- „ticket”: geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële vorm, dat door de luchtvaartmaatschappij, spoorwegonderneming of een erkende agent is uitgegeven of toegestaan;