Betekenis van:
tocht

tocht (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • wind binnenshuis; het meegezogen worden van lucht of water; beweging van lucht; stromende lucht
"tocht over/langs de grond"
"de tocht blaast (door het huis)"

Synoniemen

Hyperoniemen

tocht (de ~ | meervoud tochten)
Zelfstandig naamwoord
  • het trekken naar een reisdoel
"een tocht van [Hoorn] naar [Batavia]"
"een tocht naar [de Oostzee]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tocht
Zelfstandig naamwoord
  • van molen

Hyperoniemen

tocht
Zelfstandig naamwoord
  • luchtbeweging ontstaan door openingen
tocht
Zelfstandig naamwoord
  • het trekken of reizen
tocht
Zelfstandig naamwoord
  • een soort watergang
tocht
Zelfstandig naamwoord
  • een ziekteverwekker die veel kleiner is dan een bacterie

Synoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Vele soorten zijn erg gevoelig voor tocht.
  2. Het ventilatiesysteem dient zodanig te zijn ontworpen dat schadelijke tocht en lawaaihinder worden voorkomen.
  3. Beschrijving van de werkomgeving en de arbeidsomstandigheden (lawaai, stof, tocht, hitte, koude, potentieel gevaarlijke stoffen, risico van ongevallen, enz.):