Betekenis van:
tocht
tocht (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- wind binnenshuis; het meegezogen worden van lucht of water; beweging van lucht; stromende lucht
"tocht over/langs de grond"
"de tocht blaast (door het huis)"
Synoniemen
Hyperoniemen
tocht (de ~ | meervoud tochten)
Zelfstandig naamwoord
- het trekken naar een reisdoel
"een tocht van [Hoorn] naar [Batavia]"
"een tocht naar [de Oostzee]"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
tocht
Zelfstandig naamwoord
- luchtbeweging ontstaan door openingen
tocht
Zelfstandig naamwoord
- het trekken of reizen
tocht
Zelfstandig naamwoord
- een soort watergang
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Vele soorten zijn erg gevoelig voor tocht.
- Het ventilatiesysteem dient zodanig te zijn ontworpen dat schadelijke tocht en lawaaihinder worden voorkomen.
- Beschrijving van de werkomgeving en de arbeidsomstandigheden (lawaai, stof, tocht, hitte, koude, potentieel gevaarlijke stoffen, risico van ongevallen, enz.):