Betekenis van:
rit

rit (de ~ | meervoud ritten)
Zelfstandig naamwoord
  • tocht te paard, op de schaats of met een voertuig
"een rit over [20/30] kilometer"
"de [eerste/tweede/laatste] rit"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

rit
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de delen waarin een wedstrijdparcours verdeeld wordt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De trein was zo druk dat ik de hele rit heb moeten staan.
  2. in de trein gedurende de rit.
  3. Vóór de rit machinaal in te vullen en te ondertekenen
  4. het vertrekpunt en de bestemming van de rit;
  5. berekening van het dynamische snelheidsprofiel voor de rit.
  6. Berekening van het dynamische snelheidsprofiel voor de rit.
  7. Bewaking van het dynamische snelheidsprofiel gedurende de rit.
  8. bewaking van het dynamische snelheidsprofiel gedurende de rit.
  9. De vergrendelingen dienen zodanig te worden ontworpen dat zij tijdens de rit niet onbedoeld kunnen openen.
  10. De standaardafwijking mag bij geen enkele rit groter zijn dan 10 % van de gemiddelde waarde (v).
  11. Kilometerstand (vóór de eerste rit die op het blad is geregistreerd) ontbreekt op het registratieblad
  12. Bij vele wegvervoeractiviteiten binnen de Gemeenschap wordt voor een gedeelte van de rit gebruikgemaakt van veerboten en treinen.
  13. Het wegvervoer waarop deze uitzonderingen van toepassing zijn, kan, uitsluitend om de rit te beginnen of te beëindigen, een rit omvatten naar een gebied met een bevolkingsdichtheid van vijf of meer inwoners per vierkante kilometer.
  14. Kilometerstand (aan het einde van de laatste rit die op het registratieblad is geregistreerd) ontbreekt op het registratieblad
  15. De test wordt dan zo spoedig mogelijk na de rit op de weg of de opwarmperiode uitgevoerd.