Betekenis van:
tong
tong (de ~ | meervoud tongen)
Zelfstandig naamwoord
- beweegbaar orgaan in de mond
"een fijne tong hebben"
"een giftige/kwade tong"
Hyperoniemen
tong
Zelfstandig naamwoord
- beweeglijk lichaamsdeel in de mond; wordt gebruikt bij het spreken, proeven, kauwen en slikken en het schoonhouden van het gebit
"De brutale jongen stak zijn tong uit naar de agent."
tong
Zelfstandig naamwoord
- wat gesproken wordt
"De tong van die streek is moeilijk te verstaan."
tong
Zelfstandig naamwoord
- wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen
"De landtong loopt een heel eind in de oceaan."
tong
Zelfstandig naamwoord
- een om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis (''Solea solea'')
"In het restaurant bestelde de man altijd tong."
tong
Zelfstandig naamwoord
- onderdeel van een muziekinstrument
"Een doorslaande tong is een strip van metaal, die in een precies passend frame vastgeklonken wordt."
tong
Zelfstandig naamwoord
- bij een slot: dat gedeelte van de schieter dat naar buiten komt
Voorbeeldzinnen
- Steek je tong uit.
- Ben je je tong verloren?
- Fout van de tong
- Het ligt op het puntje van mijn tong.
- Hij nam een spiegel en keek naar zijn tong.
- Je moet je tong leren om goede koffie van slechte te onderscheiden.
- De woorden zelf liggen op het puntje van mijn tong, maar ik kan het maar niet zeggen.
- Tong
- tong
- Tong
- Tong
- Franse tong
- Tong SOL
- Senegalese tong
- Tong, schol