Betekenis van:
traag

traag
Bijvoeglijk naamwoord
  • traag; niet snel
"traag van begrip"
"als je nog trager gaat sta je stil!"

Synoniemen

traag
Bijvoeglijk naamwoord
  • met geringe snelheid
traag
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet snel (van stoffen)

Synoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Opa spreekt heel traag.
  2. Tom stapt traag.
  3. Hoe traag zijt ge toch!
  4. Ik wandelde zo traag als ik kon.
  5. belemmeringen voor een intensiever gebruik van internet: verbinding te traag;
  6. De verlening van de toestemming geschiedt thans te traag.
  7. als het wel vlam vat, brandt het traag, met een lage snelheid van brandvoortplanting.
  8. indien zij vlam vatten, branden zij traag, met een lage snelheid van brandvoortplanting;
  9. Onoplosbaar in water en organische oplosmiddelen, traag oplosbaar in oplossingen van natriumcarbonaat, natriumhydroxide en trinatriumfosfaat
  10. Inwendige bewegende delen kunnen traag worden voortbewogen, waar dat mogelijk is.
  11. computervaardigheden voor het opsporen en oplossen van computerproblemen (bv. computer die traag werkt).
  12. als het wel vlam vat, brandt het traag, met een lage snelheid van brandvoortplanting;
  13. als het wel vlam vat, brandt het traag en veroorzaakt het geen brandende of smeltende druppels.
  14. De spreker begrijpt alleen geïsoleerde, uit het hoofd geleerde zinnen, voorzover ze zorgvuldig en traag worden uitgesproken.
  15. De voor het efficiënt functioneren van de remmen benodigde lucht- en/of vacuümdruk komt te traag tot stand