Betekenis van:
uitroepen

uitroepen
Werkwoord
  • roepend uiten
"'lieve hemel', riep hij uit"

Synoniemen

Hyperoniemen

uitroepen
Werkwoord
  • de genoemde kwalificatie openlijk opdragen aan
"iemand uitroepen tot [sportman van het jaar]"

Hyperoniemen

uitroepen
Werkwoord
  • officieel verklaren
"Hendrik VIII riep zichzelf uit tot hoofd van de Engelse kerk."
uitroepen
Werkwoord
  • uit emotie luid roepen
"'Wat een onzin!', roept hij geërgerd uit."
uitroep (de ~ | meervoud uitroepen)
Zelfstandig naamwoord
  • wat men uitroept, luid geuite woorden

Hyperoniemen