Betekenis van:
uitvliegen

uitvliegen
Werkwoord
  • naar buiten, uit nest of hok vliegen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Dit heeft met name effecten in de zomerperiode, wanneer door het uitvliegen van de jongen de actieradius van de vogels beperkt is.
  2. De vertragingen waren echter niet zo groot dat zij verhinderden dat de maatregelen in hun volle omvang ten uitvoer werden gelegd en dankzij de weersomstandigheden in het voorjaar 2007 in Portugal die niet gunstig waren voor het uitvliegen van het vectorinsect voor het dennenaaltje hebben zij niet tot een verhoogd fytosanitair risico geleid.