Betekenis van:
vliegen

vliegen
Werkwoord
  • (personen of zaken) door de lucht vervoeren, per vliegtuig brengen
"vliegen van/naar [Amsterdam]"
"naar Australië vliegen"

Hyperoniemen

vliegen
Werkwoord
  • (een vliegtuig) besturen
"De piloot vliegt het vliegtuig naar een ander luchthaven"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vliegen
Werkwoord
  • zich door de lucht voortbewegen
"Hoe vaak per jaar vliegt u naar het buitenland?"
vliegen
Werkwoord
  • heen en weer waaien; snel heen en weer zwaaien
"Hij vliegt met zijn armen."

Synoniemen

Hyperoniemen

vliegen
Werkwoord
  • zich haastig voortbewegen; snel erheen gaan; zich snel voortbewegen; snellen
"de kamer uit vliegen"
"iemand in de haren vliegen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

vlieg (de ~ | meervoud vliegen)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald tweevleugelig insect
"men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn"
"ze vallen/sterven als de vliegen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Niet alle vogels kunnen vliegen.
  2. Bijen vliegen van bloem tot bloem.
  3. Ik zag een vogel door de lucht vliegen.
  4. Als ik een vogel was, zou ik naar jou toe vliegen.
  5. Die vogels bouwen in de zomer hun nest en vliegen in de winter naar het zuiden.
  6. OPS 1.981 Vliegen met helikopters en vliegtuigen:
  7. de fysiologische effecten van vliegen, met speciale nadruk op zuurstofgebrek.
  8. vliegen zonder druk in de kajuit of met verminderde kajuitdruk;
  9. vliegen zonder druk in de kajuit of met verminderde kajuitdruk;
  10. Een interne vaardigheidstoets voor het vliegen als gezagvoerder.
  11. De exploitant mag niet met een eenmotorig vliegtuig vliegen:
  12. de fysiologische effecten van vliegen, met speciale nadruk op zuurstofgebrek.
  13. het vliegen zonder beslissingshoogte in het vlieghandboek wordt toegestaan;
  14. SSR-beantwoordingsapparatuur zoals vereist op de te vliegen route;
  15. het naderingshulpmiddel en de luchtvaartterreinvoorzieningen toereikend zijn voor het vliegen zonder beslissingshoogte; en