Betekenis van:
vliegen
vliegen
Werkwoord
- (een vliegtuig) besturen
"De piloot vliegt het vliegtuig naar een ander luchthaven"
Hyperoniemen
Hyponiemen
vliegen
Werkwoord
- zich door de lucht voortbewegen
"Hoe vaak per jaar vliegt u naar het buitenland?"
vlieg (de ~ | meervoud vliegen)
Zelfstandig naamwoord
- bepaald tweevleugelig insect
"men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn"
"ze vallen/sterven als de vliegen"
Synoniemen
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Niet alle vogels kunnen vliegen.
- Bijen vliegen van bloem tot bloem.
- Ik zag een vogel door de lucht vliegen.
- Als ik een vogel was, zou ik naar jou toe vliegen.
- Die vogels bouwen in de zomer hun nest en vliegen in de winter naar het zuiden.
- OPS 1.981 Vliegen met helikopters en vliegtuigen:
- de fysiologische effecten van vliegen, met speciale nadruk op zuurstofgebrek.
- vliegen zonder druk in de kajuit of met verminderde kajuitdruk;
- vliegen zonder druk in de kajuit of met verminderde kajuitdruk;
- Een interne vaardigheidstoets voor het vliegen als gezagvoerder.
- De exploitant mag niet met een eenmotorig vliegtuig vliegen:
- de fysiologische effecten van vliegen, met speciale nadruk op zuurstofgebrek.
- het vliegen zonder beslissingshoogte in het vlieghandboek wordt toegestaan;
- SSR-beantwoordingsapparatuur zoals vereist op de te vliegen route;
- het naderingshulpmiddel en de luchtvaartterreinvoorzieningen toereikend zijn voor het vliegen zonder beslissingshoogte; en