Betekenis van:
zwaaien

zwaaien
Werkwoord
  • heen en weer doen bewegen
"wild met je armen zwaaien"
"het vaandel zwaaien"

Hyperoniemen

zwaaien
Werkwoord
  • begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
"De kinderen stonden al te zwaaien toen we aankwamen."
zwaaien
Werkwoord
  • aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
"De man stond te zwaaien om ons aan te geven dat we er niet in mochten rijden."
zwaaien
Werkwoord
  • heen en weer zwaaien; groeten
"zwaaien naar iets/iemand"

Synoniemen

Hyperoniemen

zwaaien
Werkwoord
  • (iets) krachtig heen en weer bewegen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zwaai (de ~ | meervoud zwaaien)
Zelfstandig naamwoord
  • beweging uithalend of heen en weer; zwaaiende beweging v.d. arm; heen en weer gaande beweging
"met een zwaai"
"een zwaai nemen/maken"

Synoniemen

Hyperoniemen

zwaai (de ~ | meervoud zwaaien)
Zelfstandig naamwoord
  • draaiende beweging; beweging uithalend of heen en weer; proces v.h. draaien
"met een zwaai"
"een zwaai nemen/maken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord