Betekenis van:
vijver

vijver (de ~ | meervoud vijvers)
Zelfstandig naamwoord
  • klein waterbekken in een tuin of park
"een steen in een vijver gooien"
"een vijver graven/aanleggen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vijver
Zelfstandig naamwoord
  • een tamelijk klein door de mens aangelegd water

Voorbeeldzinnen

  1. We wandelden rondom de vijver.
  2. De kinderen pakten hun schaatsen en gingen richting de bevroren vijver.
  3. zoetwater: vijver/meer
  4. Zes maanden per vijver, overeenkomstig de normale omloopsnelheid van gekweekte garnalen.
  5. Voorbeelden zijn een ondiepe vijver met waterplanten voor grondelende eenden, grasland voor ganzen en dieper water waarvan de bodem uit stenen bestaat voor soorten waarvoor rotskusten het natuurlijke milieu vormen.