Betekenis van:
vijver
vijver
Zelfstandig naamwoord
- een tamelijk klein door de mens aangelegd water
Voorbeeldzinnen
- We wandelden rondom de vijver.
- De kinderen pakten hun schaatsen en gingen richting de bevroren vijver.
- zoetwater: vijver/meer
- Zes maanden per vijver, overeenkomstig de normale omloopsnelheid van gekweekte garnalen.
- Voorbeelden zijn een ondiepe vijver met waterplanten voor grondelende eenden, grasland voor ganzen en dieper water waarvan de bodem uit stenen bestaat voor soorten waarvoor rotskusten het natuurlijke milieu vormen.