Betekenis van:
werkzaamheid

werkzaamheid
Zelfstandig naamwoord
  • (uit)werking.
"De werkzaamheid van dit medicijn is wetenschappelijk en dubbelblind getest."
werkzaamheid
Zelfstandig naamwoord
  • vlijt, ijver
"Wat een werkzaamheid heeft die jongen toch..."
werkzaamheid
Zelfstandig naamwoord
  • het werkzaam zijn
"De werkzaamheid van die machine is erg goed."
werkzaamheid
Zelfstandig naamwoord
  • ''(wel meervoud)'' werk
"Er werden veel werkzaamheden langs de weg uitgevoerd."
werkzaamheid (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • ijver; vlijt; vlijt
"Hij werd geprezen om zijn werkzaamheid en punctualiteit."

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Werkzaamheid
  2. Werkzaamheid als zelfstandige …
  3. gegevens over de werkzaamheid;
  4. Laatste werkzaamheid als zelfstandige
  5. Werkzaamheid als zelfstandige
  6. GEGEVENS OVER DE WERKZAAMHEID
  7. Gegevens over de werkzaamheid
  8. heeft de volgende werkzaamheid uitgeoefend:
  9. De werkzaamheid van eventuele conserveermiddelen wordt aangetoond.
  10. Land waarin de betrokken werkzaamheid werd uitgeoefend.
  11. aard van de werkzaamheid (werknemer of zelfstandige): …
  12. Zo ja, hoeveel hebben een andere winstgevende werkzaamheid:
  13. De werkzaamheid van het samenwerkingsverband moet, gezien zijn ondersteunende karakter, samenhangen met de economische werkzaamheid van zijn leden.
  14. Laatste werkgever (5) Laatste werkzaamheid als zelfstandige (5)
  15. Zo ja, hoeveel hebben een andere winstgevende werkzaamheid