Betekenis van:
wiek

wiek
Zelfstandig naamwoord
  • een vleugel van een windmolen
"De wieken van de molen kwamen in beweging."
wiek (de ~ | meervoud wieken)
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de lichaamsdelen waarmee vogels, insekten en vleermuizen kunnen vliegen
"de vogels gingen op de wieken"
"in je wiek geschoten zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

wiek
Zelfstandig naamwoord
  • een pit van een lamp

Werkwoord