Betekenis van:
wolf

wolf (de ~ | meervoud wolven)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaalde ziekte zoals cariës
"(mee)huilen met de wolven in het bos"
"als hongerige wolven (op eten aanvallen)"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

wolf
Zelfstandig naamwoord
  • ''Canis lupus'', een roofdier uit de familie van de hondachtigen
"In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen."
wolf
Zelfstandig naamwoord
  • ''Canis lupus'', een roofdier uit de familie van de hondachtigen
"In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen."
wolf
Zelfstandig naamwoord
  • huilende bijtoon bij het aanslaan van consonerende tonen, vals interval

Hyperoniemen

Hyponiemen

wolf
Zelfstandig naamwoord
  • dier

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Een wolf bijt geen wolf.
  2. Ik ontmoette een wolf in een droom.
  3. Je bent een wolf in schaapskleren.
  4. Mijn medewerker is een wolf in schapenvacht.
  5. In mijn droom kwam ik een wolf tegen.
  6. De mens is een wolf voor de mens.
  7. De wolf in het verhaal
  8. De mens (is) voor de mens een wolf
  9. Wolf
  10. Ethiopische wolf
  11. Spotted wolf-fish
  12. Dorab wolf-herring Wolfharingen
  13. Güth & Wolf, Gütersloh, Duitsland;
  14. Wolf-fishes n.e.i. Zeewolf
  15. Atlantic wolf-fish (= catfish)