Betekenis van:
woning

woning (de ~ | meervoud woningen)
Zelfstandig naamwoord
  • gebouw waarin je woont; plek om te wonen; huis; plek, gelegenheid om te wonen; onderkomen
"de echtelijke/ouderlijke woning"
"een vrijstaande/'onbewoonbaar verklaarde' woning"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

woning
Zelfstandig naamwoord
  • een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
"In het flatgebouw waren 20 woningen gereed voor bewoning."