Betekenis van:
zaaigoed

zaaigoed
Zelfstandig naamwoord
  • het zaad dat nog gezaaid dient te worden
"Het zaaigoed ligt klaar om morgen uit te zaaien."
zaaigoed (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • zaad om te zaaien

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. zaaigoed
  2. zaaigoed,
  3. zaaigoed:
  4. zaaigoed:– 9400
  5. zaaigoed– 10
  6. Zaaigoed, sporen daaronder begrepen
  7. ZACHTE TARWE, zaaigoed
  8. Zaaigoed voor vruchtdragende gewassen
  9. MAÏS, andere dan zaaigoed [2]
  10. Hoofdstuk 7 Databank voor zaaigoed
  11. Maïs, andere dan zaaigoed [2]
  12. MAÏS, andere dan zaaigoed [3]
  13. MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden
  14. Zachte tarwe en mengkoren, zaaigoed
  15. Zaden, oliehoudende vruchten en zaaigoed (sojabonen daaronder begrepen)