Betekenis van:
zaaigoed
zaaigoed
Zelfstandig naamwoord
- het zaad dat nog gezaaid dient te worden
"Het zaaigoed ligt klaar om morgen uit te zaaien."
Voorbeeldzinnen
- zaaigoed
- zaaigoed,
- zaaigoed:
- zaaigoed:– 9400
- zaaigoed– 10
- Zaaigoed, sporen daaronder begrepen
- ZACHTE TARWE, zaaigoed
- Zaaigoed voor vruchtdragende gewassen
- MAÏS, andere dan zaaigoed [2]
- Hoofdstuk 7 Databank voor zaaigoed
- Maïs, andere dan zaaigoed [2]
- MAÏS, andere dan zaaigoed [3]
- MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden
- Zachte tarwe en mengkoren, zaaigoed
- Zaden, oliehoudende vruchten en zaaigoed (sojabonen daaronder begrepen)