Betekenis van:
zak-
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Wil je een plastieken zak of een papieren zak?
- Ik heb één zak gekocht.
- John haalde een sleutel uit zijn zak.
- Wat heb je in je zak?
- Wat hebt ge nog meer op zak?
- Iemand heeft mijn zak weg genomen.
- Ik heb gisteren een kat in de zak gekocht.
- Dima stak zijn hand in zijn zak en haalde er een gigantische aktetas uit.
- "Hoe heeft u een aktetas in uw zak gekregen?!" vroeg de vrouw stomverbaasd.
- Zak (sack)
- Carter Zak
- Zak, buigzaam
- ZAK S.A. (Polen),
- Zak, buigzaam FX
- Zak, van kunststof