Betekenis van:
zakdoek

zakdoek (de ~ | meervoud zakdoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • doek om je neus in te snuiten; zakdoek
"een witte zakdoek met rode bolletjes"
"zakdoek leggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zakdoek
Zelfstandig naamwoord
  • een doek om de neus in te snuiten
"Die vuile zakdoek gebruik ik niet! Die hangt vol snot!"