Vertaling van Anpflanzen
Inhoud:
Duits
Nederlands
Anlage , Pflanzen, Anpflanzen, Pflanzung , Anpflanzung {zn.}
aanplanting
ich werde anpflanzen
du wirst anpflanzen
er/sie/es wird anpflanzen
ik zal aanplanten
jij zult aanplanten
hij/zij/het zal aanplanten
» meer vervoegingen van aanplanten