aushalten, ausstehen, ertragen {ww.} verdragen
uitstaan
uithouden
harden
dulden
doorstaan
Ich kann die Schmerzen nicht mehr aushalten.
Ik kan de pijn niet meer uitstaan.
Ertragen kann unerträglich sein.
Verdragen kan onverdraaglijk zijn.
aushalten, dulden, erdulden, ertragen, leiden, erleiden {ww.} lijden
verdragen
uitstaan
velen
ondergaan
doorstaan
Leiden ist die Bestimmung des Menschen.
Het is het lot van de mens om te lijden.
Es ist das Los des Menschen zu leiden.
De mens is voorbestemd tot lijden.